Buddhavacana
                                                                                     "woorden van de Ontwaakte"
 

Uposatha 20 juli 2016

Evam me sutam, aldus heb ik gehoord…

Mara-Samyutta (1)

Het boeddhistische equivalent van de christelijke, joodse en islamitische duivel is Mara, de Boze. Toch zijn er aanmerkelijke verschillen te vinden tussen de rol die hij in de genoemde religies speelt en de boeddhistische opvatting. Laten we daarom eens een blik werpen op de monotheïstische visies op de duivel.

Volgens de christelijke theologie was Satan oorspronkelijk een machtige aartsengel van God. Hij was echter trots en werd jaloers op God. Hij wilde zich aan hem gelijkstellen en keerde zich daarom van hem af. Dit betekende zijn val uit de hemel. Hierbij wist hij een derde van Gods engelen aan zijn zijde te krijgen. Deze ‘gevallen engelen’ verwerden tot demonen die Satan tot leider kozen. Satan verlangde ernaar om Gods plaats in te nemen en goddelijk eer en aanbidding te ontvangen. Zijn volgelingen, gevallen engelen en mensen verlangen ten diepste hetzelfde. Achter veel ‘succesvolle’ mensen in verleden en heden, zoals dictators, valse profteen en rijkaards, zouden Satan en zijn demonische engelen de bewerkstellers van dit ‘succes’ zijn.

De val van Satan en zijn engelen moet voor de schepping van de mens hebben plaatsgevonden, want hij treedt in het aardse paradijs al op in de vorm van een slang die Adam en Eva verleidt tot de zondeval.
Sindsdien zou er een gevecht om de mensheid gaande zijn tussen God en Satan. Beiden proberen de mens te overtuigen. God, om hem in de genade door Jezus te laten geloven en daarmee Gods wil te doen; Satan, om hem te verleiden tot het kwade en zich afzijdig van God en de genade van Jezus te houden. Daarbij wordt Satan slechts door God geduld om de vrije wil van zijn schepselen te waarborgen.
Omdat Satan een sterke afkeer van God heeft, heeft hij ook een afkeer van diens schepping. Hij en zijn demonen zouden daarom ook het ‘kwaad’ op de wereld veroorzaken, zoals natuurrampen, ziekte en plagen, maar ook geweld en onenigheid tussen de mensen veroorzaken en aanwakkeren.

In het joodse denken treffen we een iets andere visie aan. Daar is Satan een engel die als aanklager in dienst van Jahweh werkt, niet tegen Jahweh. In de joodse visie schept Jahweh ook zelf het kwaad in de wereld: "Ik ben de Here die het heil bewerk en het onheil schep; Ik, de Here, doe dit alles." (Jesaja 45:6-7). Niets gebeurt dus buiten Jahwehs wil om.

Het christelijk idee van een duivel die tegen God vecht, is niet joods, maar eerder verwant met Griekse en Romeinse opvattingen. Een diabolos (Grieks voor ‘duivel’) is, letterlijk vertaald, een geest die alles door elkaar gooit, die verwarring veroorzaakt. Hij is de tegenstrever van Jezus en probeert deze te verleiden door hem de macht over de wereld aan te bieden, mits hij aan zijn voeten neervalt en hem aanbidt. In het Nieuwe Testament is hij een zelfstandige kracht die Jezus en God probeert te dwarsbomen. Jezus heeft Satan overwonnen door de dood aan het kruis en door zijn opstanding uit de dood. Hiermee heeft hij de duivel van zijn macht ontdaan, die deze door de zonde van Adam en Eva in het paradijs had verworven over hen en hun nageslacht.
In het boek Openbaring wordt de uiteindelijke afrekening met de duivel beschreven. Satan krijgt door het verschijnen van de Antichrist tijdelijk de heerschappij over de hele wereld in handen. Hij begint aan zijn laatste opstand tegen God, die fataal voor hem afloopt. Hij lijdt een verpletterende nederlaag tegen de heerscharen van God. Met al zijn demonen en met alle onrechtvaardige mensen die ooit geleefd hebben wordt hij in een diepe vuurpoel gestort, waarin zij eeuwig zullen branden.

In de Islam staat Satan bekend onder de naam Shaitan (of Sjejtan) en Iblis. Volgens de moslimtraditie werd Satan opstandig toen hij van God voor Adam moest buigen (‘Ik ben beter dan hij; u heeft mij uit vuur geschapen, maar hem schiep u uit klei’), zoals verhaald in de soera ‘De wal’ (nr. 7, vers 11 in de Koran). Hij stond op het punt weggezonden te worden, maar vroeg aan Allah respijt om de mensen te testen en te proberen hen van het geloof af te keren. Allah stond hem dit toe. Satan wordt dus in de islam niet gezien als de tegenstander van Allah, maar als een door Allah geschapen wezen en daarmee onder zijn controle. De Koran zegt dat goed en kwaad door Allah geschapen zijn. De meeste moslims geloven ook niet dat Satan een (gevallen) engel is, maar menen dat hij een zogeheten djinn (‘geest’) is. Immers, moslims achten engelen niet in staat tot ongehoorzaamheid jegens Allah. (2)

In het boeddhisme wordt de duivel Mara beschouwd als de personificatie van de Dood. Vaak wordt hij de Boze of de Verleider genoemd.
Mara wordt geïdentificeerd met de kilesa’s, de bezoedelende affecten (zoals woede, jaloezie, begeerte, etc.). In diezelfde context past de opvatting dat Mara staat voor het geheel van het wereldse bestaan, de vijf geledingen van de persoonlijkheid (khanda) en het rijk van wedergeboorte. Tegenover dit alles staat nibbana, de uiteindelijke bevrijding van alle bestaansvormen.
In de latere Pali geschriften worden er vijf Mara’s genoemd: de duivel van mentale en fysieke processen, de duivel van dwangmatig handelen, de duivel van de dood, de uit een godheid geboren duivel en de duivel van geconditioneerd gedrag. (3)
Interessant te vermelden is dat de vierde Mara, Devaputta-Mara, geacht wordt te wonen in een hoge hemel: de hemel der Goden die Beschikken over de Scheppingen van Anderen (paranimmita-vasavatti deva). Deze godheid beschouwt het als een persoonlijke aantasting van zijn gezag wanneer iemand probeert zinnelijke genietingen te onderdrukken.
Toch moet men om aan de strikken van Mara te ontkomen de geest beteugelen en zijn neigingen onder controle krijgen:
"Wie alleen maar oog heeft voor schoonheid,
in zijn zinnen onbewaakt is,
geen maat kent bij het eten,
indolent is en gering van energie;
hem overweldigt Mara,
zoals de wind een zwakke boom"
(Dhammapada 7).

Met het wapen van ‘inzicht’ (pañña) kan men zich te weer stellen tegen Mara:
"Laat hij, dit lichaam als een kruik beschouwend
en deze geest versterkend als een vesting,
strijden tegen Mara met het wapen van inzicht.
Laat hij het veroverde bewaken, onvermoeibaar zijn"
(Dhammapada 40).

Wat dit inzicht inhoudt, blijkt uit de conversatie tussen de non Vajira en Mara. Zij heeft het arahatschap bereikt en confronteert Mara met een van de centrale inzichten van de Boeddha door te zeggen dat er geen ‘wezen’ (satta) in de mens aan te treffen valt, waarmee een permanente, onveranderlijke kern van de persoon bedoeld wordt:

(…) Toen dan ging Mara, de Boze, om de non Vajira bang te maken, de stuipen op het lijf te jagen en om haar uit haar concentratie te halen, naar haar toe en sprak volgend vers:
"Door wie is dit wezen voortgebracht,
waar is de maker van dit wezen?
Waar is dit wezen ontstaan?
Waar vindt dit wezen zijn einde?"
Toen dan de non Vajira begrepen had dat dit Mara, de Boze, was, antwoordde zij hem met volgend verzen:
"Waarom neem je een wezen aan?
Mara, dat is een verkeerd idee van jou.
Dit is louter een bundel van conditioneringen.
Een wezen wordt hier niet aangetroffen.
Zoals bij een verzameling van onderdelen het woord ‘wagen’ ontstaat, zo ontstaat, waar er geledingen zijn, het conventionele begrip ‘wezen’.
Want alleen lijden ontstaat, lijden bestaat en gaat weg.
Niets anders dan lijden ontstaat, niets anders dan lijden vergaat".
(SN 5.10)

In de 25 sutta’s omvattende Mara-Samyutta, zien we verscheidene voorbeelden van Mara’s pogingen om de Boeddha uit zijn evenwicht te brengen; door te pogen hem te laten twijfelen aan zijn verlichting, door te proberen gevoelens van vrees en angst bij hem op te wekken, door voor hem te verschijnen in de vorm van een angstaanjagende olifant of cobra of door Boeddha te verwonden met een zware steen.
Nadat de Boeddha telkens weer de woorden van Mara weerlegt heeft, eindigen de suttas meestal met: "Toen dan, toen Mara, de Boze, begreep dat de Verhevene, de Gezegende hem doorhad, verdween hij ter plekke."

Enkele voorbeelden:

Mara verwijt de Boeddha dat hij overdag als een luie knecht slaapt, na de hele nacht gemediteerd te hebben:
"Wat sluimer je? Wat slaap je?
Wat slaapje als een slechte knecht?
Menend dat de hut leeg is, slaap je hier.
Wat slaap je, terwijl de zon is opgegaan?"
(SN 4.7)

Mara probeert ook de Boeddha te suggereren dat hij zich niet hoeft te haasten bij het leiden van een leven in heiligheid, omdat het leven lang is. Men moet het leven niet versmaden:
"Lang is de levensduur der mensen.
Een goed mens moet het
[leven] niet versmaden.
Men moet leven als een door melk verzadigde baby.
Er is geen komen van de dood."
(SN 4.9)

Een andere keer voer Mara in de geest van de inwoners van het dorpje Pañcasala, waardoor ze de Boeddha geen voedsel gaven. Toen hij met lege bedelnap wegging uit het dorp, kwam hij Mara tegen die deed alsof hij van de prins geen kwaad wist en verbaasd vaststelde dat de Boeddha geen voedsel had gekregen. Hij probeerde de Boeddha te overreden het nog een keer te proberen, maar deze gaf, wetend dat Mara achter de vergeefsheid van zijn bedelronde zat, ten antwoord dat hij zich die dag met ‘vreugde’ zou voeden, net als de ‘Stralende Goden’:
"Mara heeft een onverdienstelijke daad verricht;
mensen opzetten tegen de Voleindigde.
Denk je misschien, o Boze,
dat je kwaad geen vrucht draagt?

Laten wij toch gelukkig leven,
wij die geen enkel bezit hebben,
wij zullen ons voeden met vreugde,
op de wijze van de Stralende Goden."
(SN 4.18)

Bij een andere gelegenheid, toen de Boeddha tegenover zijn monniken een uiteenzetting gaf over het nibbana, kwam Mara in de vermomming van een sjofele boer die beweerde zijn ossen kwijt te zijn en vroeg of iemand ze gezien had. De Boeddha ontmaskerde Mara. In de daarop volgende dialoog verklaarde Mara dat de zintuigen van een mens, ja zijn gehele lichaam en zelfs zijn geest aan hem toebehoren:
"Het oog is van mij, asceet, zichtbare vormen zijn van mij en de door aanraking van het oog ontstane bewustzijnssfeer is van mij. Waar kun je heen om aan mij te ontsnappen?
Het oor is van mij, asceet, geluiden zijn van mij…
, de neus is van mij…, de tong is van mij…, het lichaam is van mij.., de geest is van mij… Waar kun je heen om aan mij te ontsnappen?"
De Boeddha erkende dit, maar wees er op dat Mara geen toegang heeft tot het nibbana:
"Het oog is van jou, Boze, zichtbare vormen zijn van jou en de door de aanraking van het oog ontstane bewustzijnssfeer is van jou." [hetzelfde wordt gezegd voor het oor, de neus, de tong, het lichaam en de geest]
"Maar waar geen oog, geen zichtbare vormen en geen door de aanraking van het oog ontstane bewustzijnssfeer zijn, daar heb je geen toegang, Boze."(SN 4.19)
De boodschap luidt hier dat de hele wereld in de greep van de duivel is; alleen nibbana [waar geen gehechtheid is] niet.

In het volgende sutta probeert Mara de Boeddha te verleiden om zich als koning op te werpen:
"Laat de Verhevene het koningschap uitoefenen, zonder te doden, zonder te laten doden, zonder te plunderen, zonder te laten plunderen, zonder verdriet te hebben en zonder verdriet te bezorgen; op rechtvaardige wijze. (…) De Verhevene heeft de vier grondslagen van magische kracht ontwikkeld, tot zijn voertuig gemaakt. Als hij het zou willen, zou de Verhevene alleen maar hoeven te besluiten dat de Himalaya, de koning der bergen, van goud werd en hij zou van goud zijn." (SN 4.20)

Het laatste sutta van de Mara-Samyutta verhaalt de pogingen van de drie dochters van Mara om de Boeddha na zijn ontwaken te verleiden:

Toen dan gingen de dochters van Mara, Tanha, Arati en Raga (Dorst, Afkeer en Hartstocht), naar de Verhevene toe, maar deze besteedde geen aandacht aan hen. Terzijde overlegden ze: "Veelsoortig zijn de wensen der mannen. Als ieder van ons nu eens de gedaante aannam van honderd meisjes?" Maar ook daaraan besteedde de Verhevene geen aandacht. Terzijde overlegden zij weer: "Veelsoortig zijn de wensen der mannen. Als we nu eens de gedaante aannamen van honderd vrouwen die nog nooit een kind hadden gebaard, van honderd vrouwen die een kind hadden gebaard, van honderd vrouwen van middelbare leeftijd en van honderd oude vrouwen. Maar de Verhevene besteedde aan geen van deze gedaantes aandacht, daar hij bevrijd was door de onovertroffen uitdoving van verlangen naar bezit.
Terzijde staand zeiden ze: "Het is waar wat onze vader zei: "de Gezegende is niet makkelijk door lust te vangen. Hij is het rijk van Mara ontstegen."

[maar de dochters geven hun pogingen nog niet op]

Ter zijde staand sprak Tanha de Verhevene met volgend vers toe:

"Mediteer je in het bos door verdriet overmand?
Is je rijkdom verteerd of verlang je ernaar?
Of heb je een of andere misstap in het dorp begaan?
Waarom sluit je geen vriendschap met de mensen
en ben je met niemand bevriend?"

[De Verhevene:]
"Ik overwon het leger van het dierbare en het aangename
en ontdekte, alleen mediterend, het geluk,
het bereiken van het doel, de vrede van het hart.
Daarom sluit ik geen vriendschap met de mensen
en ben ik met niemand bevriend."

Toen dan richtte Arati zich tot de Verhevene met een vers:

"Welke methode beoefenend steekt de monnik
na vijf stromen overgestoken te zijn de zesde over?
(4)
Hoe oefent hij meditatie, zodat zinnelijke voorstellingen
buitengesloten blijven, hem niet in de greep krijgen?"

[de Verhevene:]

"Rustig van lichaam, geheel bevrijd van geest,
zonder nog iets te willen, aandachtig, thuisloos,
de Leer kennend, mediterend zonder gedachten
raakt hij niet opgewonden, dwaalt niet af, verslapt niet."

Vervolgens sprak Raga dit berustende vers:

"Hij heeft de dorst afgesneden,
hij die zich beweegt in groep en Orde. (5)
En zeker zullen vele wezens met hem gaan.
Waarlijk, deze thuisloze zal vele mensen wegroven
en naar de overzijde van het rijk van de dood leiden."

[de Verhevene:]

"Daarheen leiden de grote helden, de Voleindigden,
hen inderdaad door middel van de Goede Leer.
Waarom jaloers zijn op hen die door de Leer
geleid worden en zo tot weten komen?"

Daarop gingen Tanha, Arati en Raga naar Mara, de Boze. Mara zag zijn dochters van verre aankomen en sprak hen deze verzen toe:

"Dwaze vrouwen; met lotusstengels
proberen jullie een berg te klieven,
een berg uit te graven met jullie nagels,
ijzer te kauwen met jullie tanden."

"Het is alsof jullie een steen op het hoofd tillen
en dan vaste grond zoeken in een afgrond.
Alsof
jullie met de borst een boomstronk raakten,
gaan jullie vol afkeer van Gotama weg."

In volle glorie waren zij gekomen; Tanha, Arati en Raga.
De Leraar dreef hen daar weg als de wind afgevallen katoenpluis.

(sutta ingekort)

Een moderne visie op Mara, de duivel, biedt Stephen Batchelor in zijn boek ‘Living with the Devil’. (6) Zodra we besloten hebben ons leven te wijden aan het bereiken van ‘verlichting’, van de staat van ‘wakker zijn’, worden we ogenblikkelijk aangevallen door diabolische krachten – in de mythe aangeduid als de dochters van Mara – die we slechts vaaglijk begrijpen en waar we nauwelijks controle over kunnen uitoefenen. Wanneer we immers ervoor gekozen hebben het pad te volgen dat door de Boeddha beschreven is als ‘tegen de stroom [van de wereld] ingaan’, dan kiezen we ervoor ons op te stellen tegen die angsten en verlangens die we tot dan toe of verdrongen of uitgeleefd hebben. Zoals iemand die gewend is met de stroom mee te zwemmen zonder zich te hoeven inspannen, bemerkt hoe uitputtend, oncomfortabel en weinig lonend het is om tegen de stroom in te zwemmen, zo kan degene die zich opmaakt het pad van de Boeddha te betreden ervan verzekerd zijn legio obstakels te ontmoeten.

Het bereik van Mara strekt zich uit van de innerlijke vijand die onze twijfels, onze arrogantie en onze afkeer vertolkt tot die uiterlijke vijand die ons met ziekte slaat, ons met reële en imaginaire gevaren terroriseert en ons uiteindelijk doodt. Iedere keer dat we aan een verleiding toegeven of dat we verlamd van angst raken door bijvoorbeeld het instorten van de financiële beurzen, merken we dat de duivel ons parten speelt.

Maar net zoals er geen schaduw kan zijn zonder een lichtbron, zo kan er geen duivel zijn zonder een boeddha die hem kent. Of zoals de kerkvader Origenes van Alaxandrië (185-254 nChr.) het verwoordt: "De vernietiging van ‘deze laatste vijand’ zal niet geschieden door hem uit het bestaan te bannen, maar door hem te laten ophouden een vijand en de dood te zijn."(7)

1.Tenzij anders vermeld komen alle citaten van de Pali-Canon uit de vertalingen van Jan de Breet & Rob Janssen, uitgegeven bij Asoka

2.Inleiding tot de Mara-Samyutta, ‘De verzameling van thematisch geordende leerredes’ pag. 179 e.v. de Breet & Janssen Asoka

3.’MARA, een beschouwing van goed en kwaad’ Stephen Batchelor Asoka

4.Dit zijn de vijf zintuigen plus het denken als zesde.

5.Volgens het commentaar een epitheton van de Boeddha. Met de ‘groep’ wordt de groep van zijn leerlingen bedoeld.

6.zie noot 3

7.zie noot 3