Buddhavacana
                                                                                     "woorden van de Ontwaakte"
 

Uposatha 18 augustus 2016

Evam me sutam, aldus heb ik gehoord…

Sakka-Samyutta (1)

In de inleiding tot de Samyutta-Nikaya, De verzameling van thematisch geordende leerredes, zegt Rob Janssen over ‘godheden’ het volgende:

"In de Pali-Canon komen godheden (devata) regelmatig aan het woord. We zouden ze ook kunnen aanduiden als ‘hemelse wezens’. Het zijn geen wezens die van alle eeuwigheid in een hemel wonen. Ze zijn er ooit door vroegere verdiensten in terechtgekomen en zullen er ook weer uitvallen als hun verdiensten uitgeput zijn.
Na een leven als mens kan men op grond van goede daden wedergeboren worden in een hemel en is men per definitie een ‘godheid’. Hoewel een godheid een gelukkig en verheven wezen is, blijft hij of zij – net als de meeste stervelingen – nog steeds gebonden aan de kringloop van wedergeboortes en onderworpen aan begeerte en onwetendheid. Daarom heeft zo’n wezen nog steeds behoefte aan onderricht en leiding van de Boeddha, die in de teksten dan ook vaak sattha devamanussanam ‘leraar van goden en mensen’ wordt genoemd. De Boeddha steekt zelfs boven de hoogste goden uit vanwege zijn diepe inzicht en
volmaakte zuiverheid."(2)

Sakka is een boeddhistische transformatie van de vedische god Indra, die de regen en de donder brengt. Hij is in de boeddhistische mythologie de machtige heerser in de hemel der Drieëndertig Goden en, hoewel geen heilige, een groot bewonderaar van de Boeddha. Hij komt soms uit zijn op de berg Sineru (Skr. Sumeru) gesitueerde hemel, om naar de Boeddha of een van zijn leerlingen te luisteren. Volgens eigen zeggen is hij een ‘stroombetreder’ (eerste niveau op weg naar ontwaken):

(…) "Ik, Heer, ben een leerling van de Verhevene, iemand die de stroom betreden heeft, niet in staat om terug te vallen, voorbestemd om tot volledig ontwaken te komen." (3)

Ook is hij aanwezig bij de dood van de Boeddha, bij gelegenheid waarvan hij een vers uitspreekt waarvan de inhoud tot de kernleerstellingen van de Dhamma behoort:

Toen de Verhevene het uiteindelijke nirvana was binnengegaan, uitte Sakka, de heer der goden, dit vers:

"Vergankelijk zijn de dingen die ons bezielen,
onderworpen aan ontstaan en aan vergaan.
Na ontstaan te zijn, vergaan ze weer.
Het verlangen ernaar tot rust te brengen is geluk."
(4)

Het Sakka-Samyutta verhaalt niet van de directe ontmoetingen van Sakka met de Boeddha, maar doet verslag van Sakka’s daden en gesprekken in de woorden van de Boeddha. In de vorm van mythische verhalen, zoals zo vaak in de Canon, wordt de toehoorder of lezer geconfronteerd met een morele boodschap.
In dit samyutta wordt vaak gewag gemaakt van de strijd die de goden (deva), die het principe van het goede vertegenwoordigen, steeds weer met de asura’s, die het principe van het boze representeren, leveren. Hierbij krijgt nu eens de ene partij dan weer de andere de overhand (de asura’s zijn een soort wezens die te vergelijken zijn met de Titanen in de Griekse mythologie).

In de boeddhistische mythologie worden de asura’s gerekend tot de lagere godheden. In het kosmologische systeem bewonen zij de sfeer der Geneugten, de vierde wereld van onderen, die direct onder die van de mensen ligt.(5) De asura’s behoren dus tot de sub humane bestaansvormen, samen met hellewezens, dieren en hongerige geesten (peta). Wedergeboorte als een asura wordt dan ook beschouwd als een ongelukkig lot.
Het gevecht tussen de goden en de asura’s is een bekend thema dat al in de oudste delen van de Canon voorkomt. Volgens de legende leefden de asura’s aanvankelijk samen met de goden in de hemel der Drieëndertig (tavatimsa). Zij werden echter door de goden verdreven en sindsdien proberen zij hun koninkrijk te heroveren.

In sutta 11.4 vertelt de Boeddha dat Sakka eens, na een gevecht tussen de goden en de asura’s, hun aanvoerder, Vepacitti geboeid voor hem liet brengen. Deze beledigde en beschimpte Sakka met vreselijke woorden. Sakka hoorde Vepacitti rustig aan, maar zijn wagenmenner, Matali, zei niet te begrijpen dat hij zich dit liet welgevallen, dat Sakka over zich heen liet lopen. Sakka gaf daarop een lesje in verdraagzaamheid en kalmte bewaren in alle omstandigheden:

[Matali]
"Verdraag je, o Sakka
uit vrees of uit zwakheid,
te luisteren naar ruwe woorden,
oog in oog met Vepacitti?"

[Sakka]
"Het is noch uit vrees noch uit zwakheid
dat ik Vepacitti verdraag.
Hoe kan een wijs persoon zoals ik
zich inlaten met een dwaas?"

[Matali]
"Dwazen zouden nog meer tekeer gaan
indien niemand ze tegenhield.
Daarom moet een wijs man een dwaas
tegenhouden met harde hand."

[Sakka]
"Ik ben van mening dat alleen dit
een dwaas kan tegenhouden:
als men weet dat de ander kwaad is,
bewaart men aandachtig zijn kalmte."

[Matali]
"Ik zie dit verdraagzaamheid beoefenen
als een fout.
Wanneer de dwaas van je denkt:
"Hij verdraagt mij uit vrees",
dan loopt de idioot nog meer over je heen,
als een stier over iemand die wegrent."

[Sakka]
"Laat hem denken wat hij wil.
Er is niets beters dan geduld, de zegen
die de hoogste der goede zegeningen is.

De situatie wordt slechter voor degene
die kwaadheid met kwaadheid vergeldt.
Wie kwaadheid niet met kwaadheid vergeldt,
hij wint een moeilijk te winnen slag.

Hij bevordert het welzijn van beiden
als hij – wetend dat de ander boos is -
aandachtig zijn kalmte bewaart."

In sutta 11.19 spreekt Sakka zijn verering voor de Boeddha uit:

(…) Toen dan daalde Sakka, de heer der goden, af uit zijn paleis Vejayanta en groette met gevouwen handen de Verhevene. Daarop richtte Matali, zijn wagenmenner, zich tot Sakka:

[Matali]
"Zowel goden als mensen buigen eerbiedig voor u neer.
Wie is dan die ‘yakkha’
(6) voor wie u eerbiedig buigt?"

[Sakka]
"Die volkomen Ontwaakte hier
in deze wereld met haar goden,
voor die leraar van grote naam
buig ik eerbiedig, Matali.

Zij bij wie passie, haat en
onwetendheid uitgebannen zijn,
de heiligen met vernietigde vergiften,
voor hen buig ik eerbiedig, Matali.

Wie passie en haat verdrijvend,
onwetendheid overwinnend,
als leerlingen die zich verheugen in afbouw,
niet aflatend de training volgen,
voor hen buig ik eerbiedig, Matali."

[Matali]
"Het zijn inderdaad de besten in de wereld,
aan wie u eer betuigt, o Sakka.
Ook ik bewijs hun eer."

Tenslotte, zo vertelt Sakka in sutta 11.22, was er nog de keer dat hij benaderd werd door goden die zich ergerden aan een vreselijk lelijke yakkha (7) die op de zetel van Sakka was gaan zitten en die naarmate de goden bozer werden, alsmaar mooier werd:

(…) Toen dan gingen de Goden der Drieëndertig naar Sakka en zeiden tegen hem: "Luister, mijn waarde, er is een of andere lelijke, misvormde yakkha op uw zetel gaan zitten. Daarover, mijn waarde, ergeren de Goden der Drieëndertig zich; ze zijn boos en geïrriteerd. Maar naarmate de Goden zich meer ergeren en boos en geïrriteerd zijn hoe knapper, mooier en aangenamer om te zien deze yakkha wordt. Dit moet wel een boosheid etende yakkha zijn! " [ een wezen dat teert op, dat zijn energie haalt uit de boosheid van anderen ]

Toen dan ging Sakka, de heer der goden, naar die boosheid etende yakkha toe. Maar in plaats van zich kwaad te maken of ruwe woorden te gebruiken sloeg Sakka zijn overkleed over zijn schouder, knielde met zijn rechterknie op de grond, boog met gevouwen handen in de richting van de boosheid etende yakkha en sprak zacht driemaal: "Ik ben Sakka, de heer der goden, mijn waarde." Naarmate Sakka zijn naam vaker liet horen werd de yakkha steeds lelijker, misvormder en verdween hij daar ter plekke.

Toen dan ging Sakka, de heer der goden, op zijn zetel zitten en reciteerde om de Goden der Drieëndertig te sussen deze verzen:

"Ik ben niet lichtgeraakt van geest,
niet snel gevangen door een draaikolk.
Ik ben nooit voor lange tijd boos,
boosheid blijft bij mij niet bestaan.

Als ik boos ben, spreek ik geen ruwe taal
en ik beroem me niet op mijn deugden.
Ik beheers mijzelf altijd goed,
met het oog op mijn eigen welzijn."

Het laatste sutta van de samyutta is het kortste en bevat maar één vers dat Sakka, volgens de Verhevene, eens lang geleden in de Sudhamma-hal ten overstaan der Goden der Drieëndertig had gereciteerd:

"Laat boosheid jullie niet overweldigen,
wordt niet boos op hen die boos zijn.
Vrijheid van boosheid en geweldloosheid
wonen altijd onder de edelen.
Boosheid verplettert de slechte mens,
zoals een berglawine dat kan doen."

(sutta ingekort)

1.Tenzij anders vermeld komen de citaten van de Pali-Canon uit de vertalingen van Jan de Breet & Rob Janssen.

2.Samyutta-Nikaya inleiding Devata-Samyutta

3.DN 21 Sakkapañha-Sutta

4.SN 6.15

5.31 hemelen

de hel
de wereld der dieren
de wereld der hongerige geesten (peta)
de wereld der titanen (asura)
de wereld der mensen
de hemel van de Vier Grote Koningen
de hemel der Drieëndertig Goden
de hemel van de Yama Goden
de hemel van de Tevreden Goden (Tusita Goden)
de hemel der Goden die zich verheugen in Scheppen
de hemel der Goden die Beschikken over de Schepping van Anderen
de hemel van het Gevolg van Brahma
de hemel van Goden met Brahma aan het Hoofd
de hemel van de Grote Brahma’s
de hemel van de Goden met Slechts Geringe Straling
de hemel van de Goden met Onmetelijke Straling
de hemel van de Goden die Schitteren in Straling
de hemel van de Goden van Slechts Geringe Schoonheid
de hemel van de Goden van Onmetelijke Schoonheid
de hemel van de Luisterrijke Goden
de hemel van de Goden met Vrucht (van goede daden) Wijds als de Lucht
de hemel van de Onbewuste Wezens
de hemel van de Goden wier Geluk Geen Einde Kent
de hemel van de Goden die Niemand Kwellen
de hemel van de Duidelijk Zichtbare Goden
de hemel van de Scherpziende Goden
de hemel van de Goden die allen Superieur zijn in Geluk en Deugdzaamheid
de sfeer van de Oneindigheid van de Ruimte
de sfeer van de Oneindigheid van het (Kosmisch) Bewustzijn
de sfeer van Nietsheid
de sfeer van Noch-Voorstelling-noch-geen-Voorstelling

6.Een yakkha is een niet humane levensvorm. Deze kan de mens goedgezind zijn en wordt dan vereerd als boomgeest of de beschermer van de aarde. Maar hij of zij kan ook kwaadaardig zijn en zelfs verschijnen als mens etende weerwolf. Iemand een yakkha noemen is een uiting van minachting en getuigt van weinig respect voor deze persoon.

7. zie noot 6