Buddhavacana
                                                                                     "woorden van de Ontwaakte"
 

Uposatha 14 mei 2014 (Vesak)

Evam me sutam, aldus heb ik gehoord…

Acchariya-abbhuta-Sutta MN 123 (1)

"De leerrede over het wonderlijke en buitengewone."

Op de volle maan van de maand vesakha (in onze kalender gewoonlijk vallend in de maand april/mei) herdenkt de boeddhistische wereld (vooral zuidoost Azië) de geboorte, ontwaken en dood van de Boeddha.

Leken kleden zich in het wit, gaan naar de tempels om te offeren en naar de voordrachten van de monniken te luisteren. Velen nemen voor die dag de acht voorschriften van een novice op zich. Deze voorschriften indachtig wordt er die dag enkel voor de middag en vegetarisch gegeten.
Vesak, zoals die dag wordt genoemd, is het aangewezen moment om stil te staan bij de vijf ‘oefenregels’ (alle leven respecteren, niet stelen, geen seksueel wangedrag, de waarheid spreken en zich onthouden van een roestoestand ten gevolge van alcoholische dranken) en om de voornemens hieromtrent te vernieuwen of te versterken.

Het bekende verhaal over de confrontatie met ziekte, ouderdom, dood en het asceetschap, die voor Gotama aanleiding waren om vrouw en kind te verlaten en in alle heimelijkheid bij nacht weg te trekken om bedelmonnik te worden, wordt door de Boeddha zelf toegeschreven aan een vroegere Boeddha, Vipassi genaamd (Mahapadana-Sutta DN 14).
Het verhaal van de Verhevene zelf over zijn ‘de thuisloosheid intrekken’ klinkt heel wat minder poëtisch:

"Dus, monniken, toen ik nog jong was, zwart haar had, in de bloei van mijn jeugd was, aan het begin van mijn leven stond; schoor ik, terwijl mijn ouders het niet wilden, huilden en hun gezichten met tranen bedekt waren, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis de thuisloosheid in." (Ariyapariyesana-Sutta MN 26)

Deze passage wijst er op dat tenminste zijn vader Suddhodana en zijn pleegmoeder Pajapati op de hoogte waren van zijn plan om de wereld te verzaken; maar dat zij niet in staat waren hem tegen te houden.
De geboorte van zijn zoon Rahula zou zijn voornemen om het thuisloze in te trekken blijkbaar alleen maar versterkt hebben. Volgens de teksten riep hij na de geboorte van zijn zoon uit:
"Rahulo jato, bandhanam jatam!" "Rahula geboren, een band geboren!" (Vin I 60)

Wat zijn ontwaken zelf betreft, geeft de Verhevene in vele suttas een beschrijving van de weg die hij gegaan is.
Na jaren van (nutteloze) extreme ascese, zich een voorval uit zijn jeugd herinnerend, doorliep hij op een nacht een meditatief proces in verschillende stadia, jhana, genoemd. ( o.a. Maha-Saccaka-Sutta MN 36)
Tijdens dit gebeuren was Gotama tot ontwaken gekomen (bodhi) en was hij dus een Boeddha (Ontwaakte) geworden. Hij was van alle vormen van mentaal lijden bevrijd en daarmee uit de kringloop van wedergeboortes (samsara) verlost.

De daarop volgende 45 jaar waren zijn dagen gevuld met het onderwijzen en uitleggen van de Dhamma.

Omdat de Verhevene een mens was en geen uit de hemel neergedaald goddelijk wezen, was zijn lichaam onderhevig aan verval, met de dood als eindpunt. Hij mag dan wel bevrijd geweest zijn van alle mentale lijden, zijn lichaam kende wel fysiek ongemak (Sekha-Sutta MN 53).

In het Maha-Parinibbana-Sutta (DN 16), het langste sutta uit de Digha-Nikaya, wordt de laatste tocht van de Verhevene beschreven. Tot op zijn sterfbed bleef hij de monniken onderrichten. Zijn laatste woorden waren:
"Welaan, monniken, ik zeg jullie; wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig. Streeft niet aflatend!"

Na deze woorden beschrijft het sutta hoe de Boeddha de verschillende meditatiestadia (jhana) doorliep om van daaruit het uiteindelijke nibbana binnen te gaan.

"Toen de Boeddha het uiteindelijke nibbana was binnengegaan, weenden sommige monniken (bij wie de hartstochten nog niet waren verdwenen) met opgeheven armen. Zij vielen als geveld neer en rolden heen en weer, weeklagend: "Al te snel is de Verhevene heengegaan, al te snel is het Licht uit de wereld verdwenen!"
Maar de monniken, bij wie de hartstochten verdwenen waren, accepteerden het aandachtig en bewust: "Niet eeuwig zijn de dingen die ons bezielen. Hoe zou het in dit geval anders kunnen zijn? Heeft de Verhevene er niet duidelijk voor gewaarschuwd dat wij van alle geliefde en aangename dingen afstand moeten doen, dat wij er afscheid van moeten nemen, dat ze aan een proces van transformatie onderhevig zijn? Hoe zou het mogelijk zijn dat wat geboren is, ontstaan is, geconditioneerd is, aan verval onderhevig is niet zou vervallen? Die mogelijkheid bestaat niet."
(Maha-Parinibbana-Sutta DN 16)

Dan rest er ons nog de gebeurtenis waarmee alles begon, de geboorte van Gotama, toen nog een bodhisattha, te vermelden. In de visie van oorzaak en gevolg geen onbelangrijke zaak. Zonder geboorte, geen ontwaken en sterven.
[het pali woord ‘bodhisattha’ duidt op een mens die bestemd is om later een boeddha te worden.]

De Nidanakatha, het ‘inleidend verhaal’ tot het boek der verhalen over de vroegere levens (jataka) van de Boeddha, vertelt in legendarische opsmuk hoe de toen reeds veertig jaar oude Maya, de vrouw van de raja Suddhodana, kort voor de geboorte van haar kind op weg gegaan was naar Devadaha, naar haar ouderlijk huis, om het kind daar met behulp van haar moeder Yasodhara ter wereld te brengen. De reis in een hotsende paarden- of ossenkar over een hete en stoffige weg leidde ertoe dat de geboorte voor het bereiken van Devadaha plaats vond. Niet ver van het dorp Lumbini, in open lucht, slechts beschermd door de kroon van een damarboom, zag de kleine Gotama in de meimaand van het jaar 563 v. Chr. Het levenslicht.

In het Acchariya-abbhuta-Sutta verhaalt de eerwaarde Ananda over de ‘wonderlijke en buitengewone’ gebeurtenissen die voorafgingen aan de geboorte van de Boeddha en deze begeleidden:

Eens verbleef de Verhevene in Savatthi, in het Jetavana, het park van Anathapindika.
Toen dan, toen een aantal monniken na de maaltijd teruggekeerd was van de bedelronde, bijeengekomen was in de vergaderhal
, sprak de eerwaarde Ananda tot die monniken de volgende woorden: "Vrienden, Voleindigden zijn wonderlijk, toegerust met wonderlijke kwaliteiten. Voleindigden zijn buitengewoon, toegerust met buitengewone kwaliteiten."

Dit gesprek tussen de monniken werd echter onderbroken toen de Verhevene, tegen het vallen van de avond opgestaan uit zijn meditatie, naar de vergaderhal ging en zich neerzette op een toebereide zetel.
Hij richtte zich tot de monniken: "Welk gesprek tussen jullie werd
[door mijn komst] onderbroken? " Daarop vertelden ze het hem.

Toen dan richtte de Verhevene zich tot de eerwaarde Ananda: "Welnu, Ananda, laat dan nog verder je licht schijnen over de wonderlijke en buitengewone kwaliteiten van een Voleindigde."

Hierop volgt er een opsomming van wonderlijke gebeurtenissen in verband met de geboorte van de Boeddha. Ananda begint elke gebeurtenis met: "Heer, ik heb dit uit uw eigen mond gehoord, uit uw eigen mond vernomen" en eindigt met: "Ook dit heb ik onthouden als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Verhevene".

"Heer, ik heb dit uit uw eigen mond gehoord, uit uw eigen mond vernomen: Aandachtig, volbewust is de Bodhisattha in de Tusita-hemel wederboren. Dit heb ik onthouden als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Verhevene."

"Heer, (…) Aandachtig, volbewust verbleef de Bodhisattha in de Tusita-hemel. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Een heel leven lang verbleef de Bodhisattha in de Tusita-hemel. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Aandachtig en volbewust is de Bodhisattha uit de Tusita-hemel weggevallen en in de moederschoot afgedaald. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen verscheen er in de wereld met zijn goden en mensen een geweldig licht, dat de goddelijke luister van de goden overtrof. Zelfs in de donkere ruimten tussen de werelden, waar zelfs de zon en de maan niet in staat zijn hun licht te doen schijnen, zelfs daar openbaarde zich een geweldig, onmetelijk licht, dat de goddelijke luister der goden overtrof. De wezens die daar waren wedergeboren, werden zich door dat licht van elkaar bewust en dachten: "Nee maar, er zijn nog andere wezens hier geboren!" Dit tienduizendvoudige wereldsysteem schudde, beefde en schokte en er verscheen een geweldig, onmetelijk licht in de wereld, dat de goddelijke luister der goden overtrof. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha in de schoot van zijn moeder was ingedaald, stelden vier goden zich op in de vier windrichtingen om hem te beschermen en te zorgen dat geen mens of demon of wie dan ook de Bodhisattha of zijn moeder kwaad zou doen. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha in de schoot van zijn moeder was ingedaald, was de moeder van de Bodhisattha als vanzelfsprekend deugdzaam, afkerig van het doden van levende wezens, afkerig van het nemen van wat niet gegeven is, afkerig van seksueel wangedrag, afkerig van liegen en afkerig van middelen die een roes veroorzaken, zoals allerlei soorten sterke drank. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha in de schoot van zijn moeder was ingedaald, kwamen er bij haar geen gedachten meer op aan de vijf zintuiglijke genoegens die mannen met zich mee kunnen brengen [volgens het commentaar omdat zij mooi zijn om te zien, aangenaam om te horen, lekker om te ruiken en te proeven en prettig om aan te raken] en was zij niet toegankelijk voor welke man dan ook die vol lust was. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Zijn moeder verkreeg de vijf zintuiglijke genoegens [in dit geval worden niet-erotische genoegens bedoeld]. Daarmee begiftigd, in het bezit daarvan, amuseerde ze zich. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Zijn moeder liep geen enkele ziekte op; zij voelde zich goed, was niet moe in haar lichaam en zag de Bodhisattha, door haar schoot heen, van alle ledematen voorzien, geen enkel vermogen missend.

Het is te vergelijken met een mooie, edele berylliumsteen, voortreffelijk geslepen. Daardoorheen wordt een gekleurde draad geregen. Een man met een scherp oog, die de steen in de hand heeft genomen, kan waarnemen hoe de draad door de steen loopt. Evenzo, monniken, ziet de moeder van de Bodhisattha, vrij van ziekte en moeheid, de Bodhisattha in haar schoot zitten, van alle ledematen voorzien, geen enkel vermogen missend. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Precies tien maanden droeg zij de Bodhisattha in haar schoot voordat zij hem baarde. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Terwijl andere vrouwen zittend of liggend baren, ging het bij de moeder van de Bodhisattha niet zo. Zij baarde de Bodhisattha staand. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha uit de schoot van zijn moeder kwam, ontvingen de goden hem eerst, daarna de mensen. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha uit de schoot van zijn moeder kwam, raakte hij de grond niet. Vier goden vingen hem op en legden hem voor zijn moeder neer, zeggende: "Wees verheugd, majesteit, een machtige zoon is u geboren!" Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha uit de schoot van zijn moeder kwam, was hij helemaal schoon, niet besmeurd door (vrucht)water, niet besmeurd door slijm, niet besmeurd door bloed, niet besmeurd door enige onreinheid; zuiver en vlekkeloos.

Het is te vergelijken met een edelsteen die op een kostbare doek uit Benares is gelegd. De edelsteen bezoedelt de kostbare stof niet, noch bezoedelt de stof de steen. En waarom? Door hun beider zuiverheid. Evenzo kwam de Bodhisattha helemaal schoon uit de zuivere schoot van zijn moeder. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) Toen de Bodhisattha uit de schoot van zijn moeder kwam, verschenen er twee waterstromen, één met koud en één met warm water, waarmee de mensen de Bodhisattha en zijn moeder ritueel wasten. Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, (…) De pasgeboren Bodhisattha ging op beide voeten staan en met zijn gezicht naar het noorden zette hij zeven stappen, terwijl er een witte parasol boven hem gehouden werd. Hij keek in alle richtingen en zei met een stem als van een stier: "Ik ben de hoogste van de wereld, ik ben de beste van de wereld, ik ben de voornaamste van de wereld; dit is mijn laatste geboorte, er is geen wedergeboorte meer." Ook dit heb ik onthouden (…)

"Heer, ik heb dit uit uw eigen mond gehoord, uit uw eigen mond vernomen: Toen de Bodhisattha uit de schoot van zijn moeder kwam, verscheen er in de wereld met haar goden en mensen, een onmetelijk groot licht dat de goddelijke luister van de goden te boven ging. Zelfs in de donkere ruimte tussen de werelden, waar de zon en maan niet in staat zijn om hun licht te doen schijnen, zelfs daar openbaarde zich een onmetelijk groot licht, dat de goddelijke luister der goden overtrof (…) Ook dit heb ik onthouden als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Verhevene."

Dan vult de Boeddha nog aan:

"Welnu dan, Ananda,onthoud jij ook dit als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Voleindigde: gevoelens worden door de Voleindigde direct gekend als ze oprijzen; gekend als ze aanwezig zijn en gekend als ze verdwijnen.
Voorstellingen en gedachten worden direct gekend als ze oprijzen; gekend als ze aanwezig zijn en gekend als ze verdwijnen. Ook dit moet je onthouden als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Voleindigde."

"Ja, Heer, ook dit zal ik onthouden als een wonderlijke, buitengewone kwaliteit van de Verhevene."

Aldus sprak de eerwaarde Ananda. De Leraar stemde met hem in. De monniken waren verrukt en verheugden zich over de woorden van de eerwaarde Ananda. (Sutta ingekort)


Deze sutta is inderdaad een ‘leerrede over het wonderlijke en buitengewone’. Laten we het geboorteverhaal maar gerust als legendarisch beschouwen; een baby die zeven stappen zet en ondertussen met luide stem zegt dat hij de hoogste van de wereld is en dat dit zijn laatste geboorte is, doet op zijn minst de wenkbrauwen fronsen. Temeer dat de opgroeiende Gotama er daarna toch nog 35 jaar over doet om tot ontwaken te komen. Maar als ‘stichtend verhaal’ heeft de sutta wel zijn verdienste:

Als Ananda spreekt over het verblijf van de Bodhisattha in de Tusita-hemel zegt hij elke keer dat dit aandachtig en volbewust gebeurt. Ook de afdaling in de moederschoot gebeurt aandachtig en volbewust.
In de volgende passage is er sprake van een onmetelijk licht dat alle werelden verlicht. De wezens die daar in duisternis, laat ons zeggen in onwetendheid, ronddwalen kunnen nu ‘helder zien’ en beseffen dat zij niet alleen staan maar verbonden zijn met alle andere wezens.

De verhevene wordt dan ook dikwijls ‘het licht in de wereld’ genoemd ("Al te snel is de Verhevene heengegaan, al te snel is het Licht uit de wereld verdwenen!" DN 16).
Maya, de moeder van de toekomstige Boeddha is zo rein (belast met maar weinig karma) dat ze als vanzelve de vijf ‘oefenregels’ volgt, alsook volledige controle heeft over ‘de poorten van haar zintuigen’.
Dat ook de Bodhisattha in zulke staat geboren wordt, wordt symbolisch voorgesteld door het niet besmeurd zijn door vruchtwater, slijm en bloed. De Bodhisattha wordt zuiver en vlekkeloos geboren.

Ananda eindigt met te herhalen dat de geboorte van de toekomstige Boeddha het licht in de wereld brengt.
Vele suttas eindigen, na een leerrede van de Verhevene, dan ook met volgend vers, uitgesproken door een toehoorder: (…) "Voortreffelijk, heer Gotama! Het is alsof iemand wat omvergeworpen was, weer overeind heeft gezet, wat verborgen was, onthuld heeft, een verdwaalde de weg heeft gewezen en een olielamp in de duisternis heeft gebracht zodat zij die ogen hebben, vormen kunnen zien. Evenzo heeft de heer Gotama op velerlei wijze de Dhamma verhelderd. (…) (o.a. Cula-Saropama-Sutta MN 30)

Na het betoog van Ananda vult de Boeddha tenslotte aan dat er nog een buitengewone kwaliteit van een Voleindigde is: kennen wanneer er gevoelens oprijzen, kennen als ze aanwezig zijn en kennen als de gevoelens verdwijnen. Hetzelfde geldt voor voorstellingen en gedachten. Het zijn kernelementen van de Leer zoals we ze ook, bijvoorbeeld, in de Maha-Satipatthana-Sutta, ‘de grote leerrede over het cultiveren van de aandacht’ (DN 22) terugvinden.

1.Tenzij anders vermeld komen alle citaten van de Pali-Canon uit de vertalingen van Jan de Breet &Rob Janssen uitgegeven bij Asoka

Ik wens jullie allen een vredevol Vesak.