Toen dan richtte de Verhevene zich tot Ananda met de woorden: 
“Misschien, Ananda, komt bij één van jullie deze gedachte op: 
“Het woord van de leraar is heengegaan; wij hebben geen leraar meer”. 
Maar dat moet niet zo gezien worden. 
De Dhamma en de discipline die door mij onderwezen en uiteengezet zijn,
die zijn na mijn heengaan jullie leraar.”

 

(Maha-Parinibbana-Sutta  DN 16 vers 6.1)