Bhuddavacana
                                                                                              "woorden van de Ontwaakte"
 

Inleiding.

De Birmaanse leraar Mahasi Sayadaw zei eens: "De Dhamma is als de Ganges. Aan de bron fris en verkwikkend maar bij de monding een open riool. Waarom? Door alles wat de mens er aan toegevoegd heeft."

Het boeddhisme overleeft al 2600 jaar door zich aan te passen aan de plaatselijke culturen. En dat is mooi. Maar dit houdt ook in dat de oorsprong, de originele leer, gemakkelijk uit het oog verloren wordt.
De geschriften, opgenomen in de Pali-Canon zijn de meest oorspronkelijke. Men dient daarbij te bedenken dat deze teksten zeker niet het ‘levende woord’ van de Boeddha weergeven. De toespraken van de Boeddha zijn uitgekristalliseerd tot een tamelijk schematisch patroon en dit onder invloed van de recitatie van de teksten door de monniken. Deze recitaties zijn door de Boeddha zelf aanbevolen om de leer goed in te prenten. Uiteraard gaat hierdoor de levendigheid die de toespraken oorspronkelijk gehad moeten hebben enigszins verloren en blijft wat men zou kunnen noemen het ‘geraamte’ van de prediking over.
Toch is dit nog boeiend genoeg om er kennis van te nemen, omdat de eigenlijke bedoeling dwars door alle schematisering duidelijk genoeg doorschemert. De tekst is daarom interessanter dan hij op het eerste gezicht lijkt. Men moet door de formalisering en de overbodige toevoegingen heen kijken om de diepe en verheven gedachten van de Boeddha te kunnen ontwaren.
(1)

In de huidige tijdsgeest van snel en licht verteerbaar valt de Pali-Canon voor de meesten wat zwaar op de maag.
De Digha-Nikaya, de verzameling van lange leerredes, is een lijvig werk van zo’n 870 pagina’s en de drie delen van de Majjhima-Nikaya, de middellange leerredes omvatten elk meer dan 500 bladzijden. Daarbij komt nog dat de boeken niet zo vlot lezen als een roman. Allemaal argumenten, blijkbaar, om er niet aan te beginnen en dat vind ik spijtig. Ik raad iedereen aan, die een poging wil doen om de sutta’s te lezen, dit hardop te doen. Dit sluit, ten eerste, aan bij de traditie van mondelinge overdracht en recitatie en ten tweede houdt dit de aandacht bij wat je leest. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat je een tekst leest om daarna te beseffen dat je niet meer weet wat je gelezen hebt. Wel, als je hardop leest, zal dit veel minder voorkomen. Akkoord, het is ook vermoeiender, maar het is juist de bedoeling dat je de sutta’s niet snel achtereen doorneemt, maar dat je laat bezinken wat er geschreven staat.
Een beetje moeite doen kan in deze tijd van vereenvoudiging en laagdrempeligheid, echt geen kwaad.

  1. De Breet en Janssen 2001 Digha-Nikaya p.40-41