Buddhavacana
                                                                                                 "woorden van de Ontwaakte"
 

Geschiedenis en ontstaan van de Pali-Canon.

Siddhattha Gotama, de latere Boeddha, werd 600 jaar voor onze tijdrekening geboren. Hij bereikte nibbana op 35 jarige leeftijd en tot zijn overlijden, 45 jaar later, waren zijn dagen gevuld met het onderwijzen en uitleggen van de Dhamma, zijn leer. Hij stierf op 80 jarige leeftijd.
De Boeddha sprak tot allerlei mensen: koningen en prinsen, brahmanen, boeren, huisvrouwen, bedelaars…. Wat hij onderwees werd toen ‘Buddhavacana’, het woord van de Ontwaakte genoemd. Nadat er een orde voor monniken en nonnen was gevormd, legde de Boeddha, naar gelang er behoefte aan was, beetje bij beetje de gedragsregels voor kloosterlingen vast in de Vinaya. Het geheel van de toespraken van de Boeddha werd de Dhamma genoemd.

Na het overlijden van de Boeddha kwamen, volgens de overlevering, al snel 500 monniken, onder leiding van Mahakassapa, gedurende acht maanden bijeen voor wat later het eerste concilie zou worden genoemd. Begiftigd met een fenomenaal geheugen reciteerde Ananda, de neef en persoonlijke verzorger van de Boeddha de leerredes of Dhamma. Upali, een andere monnik reciteerde de kloosterregels, de Vinaya. Over de Dhamma, de Leer, was er geen discussie. Bij het aan bod komen van de Vinaya ontstond er wel een meningsverschil. Vlak voor zijn overlijden had de Boeddha tegen Ananda gezegd dat, als de Sangha, de kloostergemeenschap, dit nodig mocht achten, er kleine wijzigingen in de Vinaya mochten aangebracht worden. Ananda had toen, overmeesterd door verdriet, niet gevraagd wat de Boeddha verstond onder ‘kleine’ wijzigingen. De monniken geraakten het hierover dan ook niet eens en Kassapa hakte de knoop door. Hij oordeelde dat er niets mocht aangepast worden. Zijn argumentatie was: "Als we de Vinaya veranderen zullen de mensen zeggen: de leerlingen van de eerwaarde Gotama veranderen de regels nog voor het crematie vuur is gedoofd".

De Dhamma werd onderverdeeld in thema’s en er werden ‘ouderen’ [maha Thera = meer dan 10 jaar volledig gewijde monnik] aangesteld die met hun leerlingen een deel van de leerredes uit het hoofd leerden. De Vinaya werd toevertrouwd aan Upali, de Digha-Nikaya aan Ananda, de Majjhima-Nikaya aan Sariputta, de Samyutta-Nikaya aan Mahakassapa en de Anguttara-Nikaya aan Anuruddha.
Vanaf toen werd de Dhamma mondeling van leraar op leerling overgedragen. Dagelijks werden er suttas gereciteerd en geregeld vergeleken de monniken de verschillende versies om er zeker van te zijn dat er geen afwijkingen in voorkwamen. Historici zijn het erover eens dat zulke mondelinge traditie betrouwbaarder is dan een later neergeschreven verslag gebaseerd op de herinnering van iemand.

Honderd jaar later werd, onder leiding van bhikkhu Revata in Vesali het tweede concilie gehouden. De Dhamma, die over een periode van acht maanden gereciteerd werd, stond niet ter discussie. Over de orderegels ontstond er echter onenigheid. De monniken die aan de traditie vasthielden en zich theravadins, ‘aanhangers van de leer der ouden’ noemden, zeiden dat er niets mocht veranderd worden. De vernieuwers die zichzelf de naam mahasanghika, ‘leden van de grote gemeenschap’ gaven, stelden dat er, meer dan honderd jaar later, wel degelijk aanpassingen aan de kloosterregels moesten gebeuren. Uit de mahasanghika leer zou zich omstreeks het begin van onze jaartelling, het mahayana, het ‘grote voertuig’ ontwikkelen.

In de derde eeuw voor onze jaartelling (-250), tijdens de regeerperiode van koning Asoka werd in Pataliputta onder het voorzitterschap van Moggaliputta Tissa het derde concilie gehouden. Gedurende een periode van negen maanden reciteerde het concilie de theravada-canon opnieuw. Ook werd er een verzameling van verhandelingen van filosofische en psychologische aard toegevoegd. Deze verzameling kreeg later de naam Abhidhamma.
De drie tekstverzamelingen, Dhamma, Vinaya en Abhidhamma, betitelde men als ‘de drie manden’ (tipitaka).

Na het derde concilie bracht de zoon van koning Asoka, de verlichte monnik Mahinda, de theravada leer naar Sri Lanka waar deze 100 jaar voor onze tijdrekening op gedroogde palmbladen werd neergeschreven en tot op heden in zijn oorspronkelijke vorm is bewaard.