Buddhavacana
                                                                                                         "woorden van de Ontwaakte"
 

Hou jonge kinderen weg van de computer.

Jonge kinderen moeten zo min mogelijk blootgesteld worden aan computers. Dat adviseert de Duitse psychiater en psycholoog Manfred Spitzer in de Nederlandse Volkskrant.                  
Als het aan de geheugenonderzoeker ligt, zouden computers een bijsluiter moeten krijgen: "pas op, niet geschikt voor de nog in ontwikkeling zijnde hersenen van jonge kinderen."                       
Volgens Spitzer zijn de studies die de voordelen van computers aantonen (kinderen zouden spectaculair beter lezen en rekenen), gesponsord door de ICT-lobby. Resultaten van andere, onafhankelijke studies geven echter aanleiding tot grote bezorgdheid. "Kinderen leren oppervlakkig en hoe minder ze een beroep hoeven te doen op hun geheugen hoe slechter het zal ontwikkelen en functioneren", aldus Spitzer in de Nederlandse krant.

(Bron: Belga 21 juni 2013)

Kunnen we ons nog een wereld voorstellen zonder computers, zonder internet? De ouderen (+60) onder ons wel. Zij kunnen zich zelfs nog een wereld herinneren zonder gsm. Tenminste ik kan dat nog.
Ik herinner me nog de eerste keer dat ik iemand op het werk zag met een mobiel toestel. Het was een wal kapitein die ten allen tijde voor de rederij bereikbaar moest zijn. Het toestel was niets anders dan een grote batterij met handvat, met daarbovenop de hoorn en een lange telescopische antenne. De arme man sleurde het toestel ten grote van een aktetas, maar dan wel drie keer zo zwaar, overal met zich mee. Ik heb het hem nooit weten gebruiken.

Laten we nog een stapje verder in het verleden gaan. Herinnert zich nog iemand een wereld zonder boeken? En dan heb ik het niet over het al dan niet kunnen lezen; maar over de papieren bundels vol lettertjes. Ik denk niet dat er in Europa nog iemand is die nog nooit een boek gezien heeft, die nog nooit van het begrip lezen heeft gehoord.

Laten we dan nog verder teruggaan, tot de tijd van de Boeddha, zo’n 2600 jaar geleden. Zijn tijdgenoten kenden een schrift, maar of Siddhattha tot degenen behoorde die kon lezen is maar de vraag. De Pali-Canon bevat geen aanwijzing dat hij het lezen machtig was. Kunnen lezen werd in zijn tijd beschouwd als een nuttige maar niet tot de basisvorming behorende vaardigheden; vooral omdat de enige geschreven documenten in steen of hout gekerfde bekendmakingen en contracten waren.
Het schrijven werd bijna altijd als beroep uitgeoefend. De houding van de Boeddha tegenover deze kunde wordt duidelijk uit zijn instructie aan de orde, dat het uitoefenen van vaardigheden zoals schrijven voor een monnik niet gepast is; "de monnik dient alleen op verlossing gericht te zijn." (Ud III.9).

Als je niet kan terugvallen op een tekst wanneer je, je iets wil herinneren; wat moet je dan doen? Je ervan verzekeren dat je het niet vergeet door het vanbuiten te leren, je geheugen te gebruiken, de vaardigheid te ontwikkelen om je dingen correct te herinneren.
Als we over de geschiedenis van de Dhamma spreken wordt er nogal gemakkelijk voorbijgegaan aan het feit dat de leringen van de Verhevene gedurende honderden jaren van leraar op leerling mondeling werden overgedragen. Dat duizenden voordrachten van de Boeddha met situering in plaats en tijd door de monniken en nonnen werden gememoriseerd.

Tijdens het eerste concilie, vlak na de dood van de Boeddha, kwamen zo’n vijfhonderd monniken onder leiding van Maha Kassapa bijeen. Omdat de leringen van de Verhevene niet waren neergeschreven zat er niets anders op – en voor die tijd heel normaal - om ze uit het hoofd te leren.
De Dhamma werd onderverdeeld in thema’s en er werden ‘ouderen’ (maha Thera) aangesteld die met hun leerlingen elk een deel van de leerredes uit het hoofd leerden.
De Vinaya werd toevertrouwd aan Upali, de Digha-Nikaya aan Ananda, de Majjhima-Nikaya aan Sariputta, de Samyutta-Nikaya aan Maha Kassapa en de Anguttara-Nikaya aan Anuruddha.
Dagelijks werden er suttas gereciteerd en geregeld vergeleken de monniken de versies om er zeker van te zijn dat er geen afwijkingen in voorkwamen.
Het ging hierbij niet om het vanbuiten leren van een paar gedichtjes of een liedjestekst. Maar over duizenden diepzinnige filosofische uiteenzettingen.

Stel je even voor… Je woont een voordracht over boeddhisme bij en wat je hoort spreekt je wel aan. Je wil er meer over weten, je er in verdiepen. Maar er zijn geen boeken, boeken bestaan niet; en al zeker geen internet. Je moet onthouden wat de spreker heeft gezegd.

Ik heb het eens nagegaan. Na een Dhamma voordracht vroeg ik bij het buitengaan aan een aantal toehoorders om kort (nog niet eens in detail) te vertellen wat de spreker gezegd had. Buiten het herhalen van de titel en de inhoud van de aankondiging kon niemand een gestructureerd overzicht geven. Verder dan "het was een mooie voordracht" of "het was een inspirerend spreker" kwam men niet. De woorden van de spreker bleken even vluchtig en kortstondig als een verfrissend zomerbriesje.

Laten we dus even stilstaan bij de moeite die de eerste generaties monniken en nonnen zich getroostten om de woorden van de Boeddha uit het hoofd te leren. Geen boeken om op terug te vallen, maar dagen en jaren van studie. Werkelijk een levenswerk, een fulltime job.

Laten we daar nog eens aan denken alvorens we spreken over onze hedendaagse boeddhistische studie en praktijk. Laten we eerlijk zijn en onszelf niet wijsmaken dat we de Dhamma kunnen doorgronden door het lezen van een paar boeken over boeddhisme en aanverwante meditatie, gecombineerd met een kwartier per dag op een kussen zitten te kijken ‘naar wat is’ of eenmaal per jaar een tiendaagse retraite al dan niet in Azië.

De Dhamma bestuderen en in praktijk brengen is ook voor ieder van ons nog steeds een fulltime job, een levenswerk en dit ondanks boeken en internet.

Een leerling vroeg eens aan de Japanse zen leraar Shunryu Suzuki roshi: "Wat moet een zen leerling in zijn vrije tijd doen?"
Shunryu keek de man verbaasd aan en zei: "Welke vrije tijd?"

Of Manfred Spitzer gelijk heeft zal de toekomst uitwijzen. Maar waarschijnlijk is het dan te laat en kan de klok niet meer worden teruggedraaid.
Misschien gaan we wel naar een maatschappij waarin inderdaad niets meer moet onthouden worden omdat alle informatie steeds en overal beschikbaar is. De apparaatjes zullen kleiner en kleiner worden en kunnen misschien wel bij de geboorte in de hersenen worden ingeplant. Zo zal leren en onthouden volledig overbodig worden. Alle kennis zal onbeperkt aanwezig zijn.

‘Kennis’ zal voorhanden zijn, maar het ‘weten’, het inzicht dat nodig is om tot ontwaken te komen zal ‘voor degenen met maar weinig stof in de ogen’ steeds een individuele ontdekkingstocht blijven. Een reis waarbij overgave, toewijding en discipline op de voorgrond staan en geen enkel apparaatje dit kan vervangen.