Buddhavacana
                                                                                         "woorden van de 0ntwaakte"
 

Kloosters ten tijde van de Boeddha. (1)

Als we in de beginperiode van de monniken orde over kloosters spreken gaat het hier niet over gebouwen maar eerder over kloostergronden of parken.
Hierin kunnen we twee typen onderscheiden: de door de monniken zelf aangelegde nederzettingen (avasa), die na de regentijd weer afgebroken werden en de geschonken kloosterparken (arama), die de bhikkhu’s het hele jaar ter beschikking stonden.

De avasa terreinen werden in het begin van de moesson vastgesteld door markante punten in het landschap door denkbeeldige lijnen met elkaar te verbinden. De monniken spraken dan af dit omsloten terrein als hun (tijdelijke) avasa te beschouwen (Mv 2,6).
De bhikkhu’s die daar hun hutten bouwden vormden voor de duur van de regentijd een monnikskapittel (sangha) en hielden gezamenlijk hun uposatha bijeenkomsten en vergaderingen.
Als plaats voor zo een tijdelijk klooster kozen de monniken terreinen waar men veilig was voor overstromingen en niet ver van een dorp waar men op bedelronde kon gaan. Oorspronkelijk waren de zelfgemaakte hutten net hoog genoeg om in te hurken en net lang genoeg om in te liggen. Een paar buigzame bamboestokken werden in een rij met beide einden in de grond gestoken waarna deze spanten met overlangse stokken werden verbonden. Het half-tonvormige vlechtwerk werd met bladeren, gras of matten afgedekt. Dat was alles. Later werden door lekenaanhangers uit hetzelfde materiaal hogere hutten gebouwd zodat de monnik er in kon rechtstaan.

                             


Men schrikt er welhaast voor terug om voor zo’n verzameling van schamele hutten het woord ‘klooster’ (vihara) te gebruiken. Toch is dat het gebruikelijke woord in de Pali-Canon.
Na het regenseizoen werden de hutten weer afgebroken en hervatten de monniken hun zwervend bestaan.

Dat het inderdaad de bedoeling was (uit praktische overweging) om enkel tijden de moesson een vast verblijf te hebben, vinden we terug in het verhaal over de monnik Dhaniya (Sv 2,1-2). Deze monnik wiens vroegere beroep pottenbakker was had voor zichzelf een halfkogelvormige lemen hut gebouwd. Door het vanbinnen te verwarmen had hij er een solide bakstenen iglo van gemaakt. Toen de Boeddha van deze vaste verblijfplaats hoorde – de monnik woonde ondertussen meer dan een jaar op dezelfde plek – ontzegde hij Dhaniya dit permanent woonrecht en werd de behuizing afgebroken.

Het zijn veeleer de parken (arama), door rijke begunstigers aan de sangha geschonken, die de naam klooster verdienen. De grens van zulk kloosterpark bestond meestal uit bomen, een bamboe omheining of een sloot.
Aanvankelijk werd de bouw van de hutten aan de monniken zelf overgelaten. Later lieten de schenkers ook de onderkomens en vergaderhallen bouwen. Vooral in het laatste geval gingen zij in de loop van de jaren over op stabielere constructies.
Dat de stichters van kloosterparken in toenemende mate solide bouwwerken leverden, had tot gevolg dat sommige monniken ook na de regentijd in het klooster bleven. De Boeddha vaardigde hiertegen geen verbod uit, alhoewel hij deze afwijking van de samana- zeden afkeurde.
In de Maha-Sunnata-Sutta MN 122 bemerkt de Boeddha dat er veel monniken in één huis samenleven en trekt daaruit de conclusie dat zij gezelschap op prijs stellen. Daarop spreekt hij Ananda toe over de noodzaak van eenzaamheid en afzondering voor het realiseren van innerlijke vrede en leegte.

(…) "Toen dan de Verhevene tegen het vallen van de avond opgestaan was uit zijn meditatie, ging hij naar de woning van Ghataya. Daar zette hij zich neer op een toebereide zetel. Neergezeten richtte de Verhevene zich tot de eerwaarde Ananda: "Er zijn vele onderkomens bereid in de woning van Kalakhemaka; kennelijk leven daar vele monniken". "Inderdaad Heer", antwoordde Ananda. De Boeddha sprak: "Het is niet mooi, Ananda, voor een monnik om zich te verheugen in gezelschap, om zich over te geven aan vreugde in gezelschap, om zich te verheugen in groepen, om genoegen te scheppen in groepen. Voorwaar, dat een monnik die dat doet zonder moeite en zonder probleem het geluk van afzondering, het geluk van kalmte en het geluk van ontwaken zal smaken; die mogelijkheid bestaat niet. Maar van een monnik die alleen, teruggetrokken uit de groep leeft; van hem is te verwachten dat hij zonder moeite en zonder probleem dat geluk zal smaken; die mogelijkheid bestaat wel." (…)

De vraag naar het aantal kloosters in de tijd van de Boeddha laat zich slechts bij benadering beantwoorden. De vermelding in de commentaren dat er tegen het levenseinde van de meester alleen al rondom Rajagaha achttien kloosters waren, is niet verifieerbaar.
Met zekerheid kan men stellen dat er in het Middenland tien permanente kloosterstichtingen waren. Zij lagen alle in of nabij de hoofdsteden en dragen doorgaans de naam van hun stichter; zoals bijvoorbeeld:
Veluvana (bamboebos), een geschenk van koning Bimbisara; Jivakambavana (Jivaka’s mangobos), een schenking van Jivaka, de lijfarts van de koning en de arts die voor de orde van de Boeddha zorgde en
Jetavana (bos van de prins Jeta), door de koopman-bankier Anathapindika van prins Jeta tegen een te hoge prijs gekocht en aan de sangha ter beschikking gesteld; het lievelingsklooster van de Boeddha.

1.bron: ‘De historische Boeddha’ Hans Wolfgang Schumann
Asoka 2009