Buddhavacana
                                                                                                         "woorden van de Ontwaakte"
 

Uposatha 18 oktober 2013

Evam me sutam, aldus heb ik gehoord…

Jivaka-Sutta MN 55

Deze sutta is de kortste (amper drie bladzijden) uit de 152 sutta’s tellende Majjhima-Nikaya, de verzameling middellange leerredes van de Boeddha.(1)

De Boeddha verweert zich tegen de beschuldiging dat hij vlees zou eten van dieren die speciaal voor hem geslacht worden. Hij zegt dat ook zijn leerlingen dat niet doen en zet de regels voor de Orde over het eten van vlees uiteen. Hij wijst er verder nog op dat zijn monniken de brahmavihara’s beoefenen en daardoor niet geneigd zijn zichzelf of andere levende wezens te schaden.

Op een keer verblijft de Boeddha in Rajagaha, in het Mangobos van de hofarts Jivaka. Tijdens een ontmoeting zegt de arts tot de Verhevene:

"Het volgende heb ik gehoord, Heer: "Ze slachten dieren voor de asceet Gotama. De asceet Gotama eet dat vlees, wetend dat het speciaal bereid is voor hem en dat het dus een bewuste daad is." Spreken zij die dat zeggen de waarheid of beschuldigen zij u valselijk? Geven zij een juiste voorstelling van uw Leer?"
"Degenen die dat zeggen, Jivaka, geven mijn woorden niet juist weer. Zij beschuldigen mij daarentegen valselijk, onterecht."
"In drie gevallen mag vlees niet gegeten worden
[en mag een monnik het voedsel dus weigeren]: Wanneer men gezien heeft, gehoord heeft of vermoedt dat het dier speciaal voor hem geslacht is.
In drie gevallen mag het vlees wel gegeten worden: wanneer men niet gezien heeft, niet gehoord heeft of niet vermoedt dat het dier speciaal voor hem geslacht is."

De Verhevene verklaart zich nader door volgende vergelijking:

"Stel dat een monnik dichtbij een of ander dorp of stadje woont. Aldaar doordringt hij de hele wereld langdurig, overal, alom met een geest vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid, vrij van haat en vrij van boosheid.

[De hindoe god Brahma, die met zijn vier gezichten in alle richtingen kijkt, gaf de naam aan de vier ‘goddelijke vormen van verwijlen’, de brahmavihara’s, liefdevolle vriendelijkheid (metta), mededogen (karuna), medevreugde (mudita) en gelijkmoedigheid (upekha). Terwijl meditatie meestal wegleidt van de wereld en zich naar binnen of op een bepaald thema richt, zijn de brahmavihara’s gericht op de wereld en de maatschappij. (2)]


Een burger nodigt hem uit voor de maaltijd van de volgende dag en als de monnik het wil, neemt hij de uitnodiging aan. De volgende morgen kleedt hij zich aan, neemt bedelnap en mantel en gaat naar de woning van de burger alwaar deze hem bedient met uitgelezen voedsel in zijn bedelnap.
Volgende gedachte komt niet bij hem op: "Het is goed dat deze burger mij zulk uitgelezen voedsel geeft, moge in de toekomst ook andere burgers mij met zulk uitgelezen voedsel in de bedelnap bedienen!" Zo’n gedachte komt niet bij hem op.
Hij nuttigt het voedsel zonder eraan gehecht te zijn, zonder er verzot op te zijn, zonder zich eraan over te geven; het gevaar daarvan
[van gehechtheid] ziende.

[Dogen zenji (1200-1253), stichter van de soto zen traditie schrijft in zijn verhandeling ‘Tenzo Kyokun, richtlijnen voor de kloosterkok’: "De mond van een monnik moet zijn als een oven, waarin zonder voorkeur zowel geurig sandelhout als koemest als brandstof kan gebruikt worden".]

Wat denk je, Jivaka, zou die monnik, op dat ogenblik, zichzelf, een ander of beiden schade willen toebrengen?
Nee, Heer.
Zou die monnik dan niet op dat moment alleen onberispelijk voedsel
[ook al is dat voedsel vlees] tot zich nemen?
Ja, Heer."

Dan spreekt de arts over de brahmavihara’s en zegt dat de Boeddha daarvan een zichtbare getuige is. De Verhevene beaamt dit en zegt over zichzelf [in de derde persoon]:
"Elke passie, elke haat, elke verwarring, waardoor er boosheid, ergernis, ontstemdheid of afkeer bij hem zou kunnen ontstaan, heeft de Voleindigde achter zich gelaten; bij de wortel afgesneden, tot een uitgegraven palm gemaakt, tot iets dat niet meer kan ontstaan gemaakt, niet meer in staat om in de toekomst op te komen."

Dan komt de Boeddha terug – niet op het eten van vlees, maar - op het slachten van dieren:

"Wie, Jivaka, voor de Voleindigde of voor een leerling van de Voleindigde een dier slacht, verwerft veel slechte verdienste op vijf punten.
Wanneer hij zegt: "Gaat en haalt dat en dat dier," dan is dat het eerste punt waarop hij veel slechte verdienste verwerft. Wanneer dat dier daarbij pijn en leed ervaart, dan is dat het tweede punt waarop hij veel slechte verdienste verwerft. Wanneer hij zegt: Gaat en slacht dit dier," dan is dat het derde punt waarop hij veel slechte verdienste verwerft. Wanneer dat dier, als het geslacht wordt, pijn en leed ervaart, dan is dat het vierde punt waarop hij veel slechte verdienste verwerft. Wanneer hij de Voleindigde of een leerling van de Voleindigde beledigt, dan is dat het vijfde punt waarop hij veel slechte verdienste verwerft.
Wie voor de Voleindigde of voor een leerling van de Voleindigde een dier slacht, verwerft veel slechte verdienste op deze vijf punten.

De arts Jivaka besluit met de woorden:

"Wonderlijk Heer, buitengewoon! Laat de Verhevene mij vanaf vandaag voor de rest van mijn leven als lekenvolgeling beschouwen, die zijn toevlucht heeft genomen."
(sutta ingekort)

De Boeddha legt in deze sutta niet de nadruk op het eten van vlees, maar wel op het negatief karma als gevolg van het doden van dieren.

[Boeddhistische gemeenschappen hebben hiervoor een praktische oplossing gevonden; het beroep van slachter wordt veelal uitgeoefend door niet boeddhisten.]

Het getuigt van Gotama’s praktische inzicht dat hij van de monniken niet verlangde dat ze strikt vegetarisch leefden. Een totaal vleesverbod zou voor een monnik moeilijk op te brengen zijn daar hij, als bedelmonnik, aangewezen is op wat de gever hem biedt. De monnik eet wat in zijn bedelnap terecht komt (vandaar dat maagklachten en dysenterie in de sangha vaak voorkwamen, zelfs bijna een beroepsziekte waren).
Maar alleen al het mededogen – onder andere opgewekt door het beoefenen van de brahmavihara’s - dat iedere volgeling van de leer van de Boeddha tegenover levende wezens op moet brengen, vereist dat deze de vleesconsumptie laag houdt.

Het al dan niet consumeren van vlees is een persoonlijke keuze en een bewuste daad (‘iedereen is de maker en bezitter van zijn/haar eigen karma’). Wat moet worden vermeden is dat de men zich beter, meer waard gaat voelen omwille van zijn/haar voedselkeuze.

David Chadwick vertelt volgende anekdote over de Japanse zen leraar Shunryu Suzuki roshi (3):

Suzuki herinnerde zijn leerlingen er regelmatig aan dat zij moesten doden om te kunnen leven en dat zij zich niet moreel superieur moesten wanen omdat ze geen vlees aten. "Groenten moet je ook doodmaken", zei hij. Soms gebruikte hij een maaltijd als aanleiding om duidelijk te maken dat boeddhisme niet de gevangene is van om het even welke egotrip en zeker niet van een voedselegotrip.

"Op een keer had Suzuki nog maar eens een vinger gekneusd bij het verschouwen van rotsblokken. Bob Halpern reed hem naar de dokter. De vinger bleek niet gebroken. Er werd een gaatje in de nagel geboord om de druk te verminderen, de vinger werd verbonden en dat was het dan.
Terwijl ze over straat liepen zei Suzuki tegen Bob: "Laten we wat gaan eten. Ik heb honger." Bob begon de straat af te speuren naar een restaurant waar ze vegetarisch konden eten. "Laten we hier binnen gaan", zei Suzuki, terwijl hij een hamburgertent in liep. Bob bekeek de menukaart vol afgrijzen. "Je hebt al heel lang geen vlees meer gegeten, hè?" zei Suzuki tegen hem. "Nee roshi, al twee jaar niet meer. Geen dierlijk voedsel. Geen zuivel en geen eieren."
"Heel goed", zei Suzuki terwijl de serveerster eraan kwam. "Bestel jij maar eerst." "Ik wil graag een tosti met kaas." Dat was het beste dat Bob kon krijgen met dit menu. "Een hamburger graag", zei Suzuki, "met extra vlees." Het eten kwam eraan en ze namen elk een hap. "En, hoe smaakt het ?" vroeg Suzuki. "Niet slecht". "Ik vind het mijne niet lekker", zei Suzuki. "Laten we ruilen." En in een handomdraai pakte hij Bobs tosti en legde daarvoor in de plaats zijn dubbele hamburger op diens bord. "Mmm, lekker zeg! Ik ben dol op gegrilde kaas."

1.Vertaling door Jan de Breet & Rob Janssen Asoka 2004
2.’De historische Boeddha H W Schumann Asoka 2009
3.’De kromme komkommer’ David Chadwick Asoka 2002