Buddhavacana
                                                                                         "woorden van de 0ntwaakte"
 

Uposatha 17 november 2013

Evam me sutam, aldus heb ik gehoord…

Besmette kost. (Sutta-Nipata vers 239-252)

Dit twaalf verzen tellende sutta vinden we terug in de Sutta-Nipata als onderdeel van de Khuddaka-Nikaya, de verzameling van korte teksten. (1)

Volgens de overlevering zou de Boeddha aan een brahmaan het relaas hebben gedaan van een dialoog tussen Kassapa (een Boeddha uit de voortijd) en een brahmaan, Tissa genaamd, die zijn belangrijkste leerling zou worden.
Tissa had gezien dat de ascetisch levende Kassapa een rijke maaltijd met vlees van de koning geaccepteerd had. Daarover kritisch ondervraagd antwoordde Kassapa dat aan het eten van vlees geen luchtje zit, maar wel aan onethisch handelen.

(De brahmaan Tissa:)
"Wie gierst, wilde planten en bonen, bladgroente, wortels, klimplantvruchten; eerlijk verkregen, als voedsel nuttigen, vertellen geen leugens uit verlangen naar genot.

Door te eten wat goed klaargemaakt, goed bereid, door anderen gegeven, zuiver en overvloedig is, genietend van rijstgerechten, neemt men tot zich, Kassapa, besmette kost waar een luchtje aan zit."

[trefwoorden in dit tweede vers zijn ‘overvloedig en genietend’ en dit in tegenstelling tot het eerste vers waar de maaltijd van een asceet sober en plantaardig wordt omschreven. Wel wordt de maaltijd in beide verzen omschreven als ‘eerlijk verkregen’ en ‘door anderen gegeven’. ‘Besmette kost waar een luchtje aan zit’ is een omschrijving van het Pali woord ‘amagandha’ wat letterlijk ‘geur van rauw vlees (hebbend); vieze geur, kadavergeur, rotte geur, stinkende substantie’ betekent.
Deze uitdrukking komt in de volgend verzen terug en heeft daar de figuurlijke betekenis van iets dat niet klopt, niet juist is; dus iets waar een luchtje aan zit.]

"Besmette kost is niet geschikt voor mij", zo spreek je, nakomeling van Brahma, terwijl je van rijstgerechten geniet met vlees van vogels, goed bereid. Ik wil je, Kassapa, deze vraag stellen: van welke aard is dan voor jou besmette kost?"

(Kassapa:)
"Doden van levende wezens, moorden, hakken, boeien, stelen, liegen, frauderen en bedrog; nutteloze studies, gaan naar andere vrouwen; daar zit een luchtje aan, niet aan het eten van vlees!

Wanneer mensen hier hun lusten botvieren, verzot zijn op lekkere dingen, aangetast door onreinheid, nihilistisch van visie, wetteloos, moeilijk te peilen; daar zit een luchtje aan, niet aan het eten van vlees!

[ door ‘nihilistisch van visie’ wordt verwezen naar de tien ontkenningen, zoals die worden aangetroffen in de leer van sekte leider en tijdgenoot van de historische Boeddha, Ajita Kesakambali. Deze ontkent, onder andere, het effect van goede en slechte daden, het bestaan van deze en een andere wereld, de mogelijkheid dat asceten en brahmanen de volmaaktheid kunnen bereiken, etc. (zie voor een volledige opsomming o.a. de Sandaka-Sutta MN 76).]

Wanneer ze ruw zijn, meedogenloos, lasteren, hun vrienden kwaad doen, harteloos en arrogant, niet vrijgevig zijn en wie dan ook niets geven; daar zit een luchtje aan, niet aan het eten van vlees!

Woede, arrogantie en weerspannigheid, verstoktheid, bedrog, jaloezie en grootspraak, trots en verwaandheid, omgang met slechte mensen; daar zit een luchtje aan, niet aan het eten van vlees!

Die slecht van zeden zijn, hun schulden afwijzen, lasteraars, rechtsverdraaiers, wolven in schaapskleren zijn, de vuigste lieden die hier hun euveldaden bedrijven; daar zit een luchtje aan, niet aan het eten van vlees!

Noch vlees en vis noch vasten noch naaktheid, kaalheid, vervilt haar, vuil of ruwe vacht noch het dienen bij het offervuur of de vele ascese in de wereld voor onsterfelijkheid; noch hymnen, plengingen, het brengen van de offers van het seizoen, reinigen een sterveling die de twijfel niet te boven is gekomen.

[Hier wijst de Boeddha een aantal, in zijn tijd onder asceten gangbare praktijken - waarvan aangenomen werd dat ze lichaam en geest reinigden - af (zoals o.a. vasten, vervilt haar hebben en ruwe kleding dragen, het uitvoeren van vuurrituelen, het zingen van hymnen, het brengen van offers…).]

Waakzaam bij wat binnenstroomt, de zinnen overwonnen moet hij leven; standvastig in de Dhamma, zich verheugend in oprechtheid en mildheid. Hechtingen te boven gekomen, alle leed achter zich latend klampt de wijze zich niet vast aan het geziene en gehoorde."

[De Verhevene somt hier praktijken op die wel leiden tot ontwaken: het bewaken van de zes poorten (de vijf zintuigen plus het denken), het achter zich laten van begeerte aan wat dan ook, vertrouwen hebben in de Dhamma, zich verheugen in een ethisch gedrag, het loslaten van wat in deze zintuiglijke wereld (samsara) bindt en niet vasthouden aan eigen of door anderen verkondigde opinies.]

[Volgende verzen werden later door de samenstellers van de Canon als afsluiting toegevoegd.]

Zo verkondigde de Verhevene keer op keer dit onderwerp. Hij die de Veda’s grondig kent [de brahmaan], begreep dit. Met uiteenlopende verzen illustreerde de Wijze wat in een goede reuk staat, ongebonden en moeilijk te doorgronden is.

Hij hoorde het goed gesproken woord van de Boeddha, dat in een goede reuk staat, alle leed verdrijft. En deemoedig vereerde hij de Voleindigde. Ter plekke verkoos hij het huis te verlaten en de thuisloosheid in te trekken.

Of om het met de woorden van Godwin Samararatne (Nilambe Meditation Centre, Sri Lanka) in één zin samen te vatten:

"What comes out of your mouth is more important than what goes in."

 

1.’Khuddaka-Nikaya’ vert. Jan de Breet & Rob Janssen Asoka 2002